Windmolens gieren, zonnetenten klapperen en luiken worden gauw dichtgedaan. Het is vaste prik aan het eind van de middag: er komt een tropische bui over. De ene keer met veel wind en regen, de andere keer wat minder, maar de donkere wolken zijn altijd indrukwekkend.
We zien ze meestal wel aankomen vanuit het zwembad van de Royal Langkawi Yacht Club (klinkt chiquer dan het is). We liggen daar een paar dagen in de marina omdat we onze buitenboordmotor in reparatie hadden bij Teng Cheng Eng, de Yamaha-man. Hij heeft voor het schokkende bedrag van 5 euro twee nieuwe onderdelen in de carburateur gezet waardoor het motortje nu weer prima loopt. Die onderdelen noemde hij 'jets', tenminste, dat denken we. Communiceren met meneer Teng Cheng Eng is niet makkelijk, want we spreken elkaars taal niet, maar een motor repareren kan hij als de beste. We voelden ons een beetje ontmand zonder buitenboordmotor (onze dinghy is onze auto, en stel je voor dat je auto voor de deur staat maar dat er geen motor in zit) en hebben daarom Langkawi maar per huurauto verkend. Het is een mooi, groen eiland, met aan de westkant een heuse kabelbaan (ontworpen en aangelegd door niemand minder dan meneer Doppelmayr) die een wijds uitzicht biedt. Daar hebben we tien minuten naar kunnen kijken en toen sloten de wolken zich om ons heen. Menno had nog nooit in een wolk gelopen en vond dat spannender dan de steile kabelbaan. Nu we weer eigen vervoer hebben van de boot naar de wal, kunnen we plannen gaan maken. We trekken nog een week of drie uit voor Langkawi voordat we naar Thailand hoppen.
|
|
We hadden nog wel wat langer op Penang willen blijven want we zijn eigenlijk nog niet uitgekeken, en het is hier ook erg gezellig met een stel bekende 'kinderboten', maar toch gaan we donderdag verder. Er is hier eigenlijk geen goede, handige ankerplek dus de meeste boten liggen in de marina. Die ligt midden in de stad met aan de ene kant een soort restaurant-disco-karaokebar waar op vrijdag en zaterdag zo'n herrie vandaan komt dat we uit ons bed trillen, en aan de andere kant de terminal voor ferries die tussen Penang en het vasteland op en neer varen. Die ferries zijn op zich niet zo'n probleem, maar een deel van de steiger die als golfbreker moet fungeren is weggeslagen waardoor veel zeilboten in de marina aan hun landvasten liggen te rukken. Wij liggen gelukkig aan de goede kant, in een beschermd hoekje, maar andere boten liggen als een dol geworden paard te steigeren in hun box en klappen soms zelfs met de masten tegen elkaar. En dan ligt het water hier ook nog eens vol met afval, en het is erg warm en vochtig.
Georgetown is ondanks de Engelse naam een echte oosterse stad. Net als in de rest van Maleisië leven Chinezen, Maleiërs en Indiërs hier vreedzaam naast en door elkaar, maar onze indruk is dat hier het Chinese volksdeel de overhand heeft. De oude stad is grotendeels in Chinese stijl gebouwd, met eindeloze rijen 'shophouses' waarin families werken en wonen. Daarnaast een groot aantal 'kongsies', een soort clantempels waar Chinese clans bijeenkomen en hun gezamenlijke voorouders vereren. De stad ziet er niet alleen oosters uit, hij ruikt ook zo. Georgetown heeft net als veel Maleisische steden hele wijken met open riolen waarvan het aroma concurreert met de wierook van de tempels en de specerijen van de talloze restaurantjes. De riolen zijn wel deels met betonnen platen afgedekt maar die houden de stank niet tegen. Maar we klagen niet. Het hoort allemaal bij de 'odeur locale'. We hebben met veel plezier door Chinatown gelopen, hebben een geweldig Indiaas restaurant gevonden (Kapitan, naar verluid de beste tandoori van Maleisië), zijn heel toeristisch met een kabelbaantje een berg opgegaan voor een mooi uitzicht over de omgeving, en zijn in een stuk of tien tempels geweest. Of je nu moslim, boeddhist of hindoe bent of je Chinese voorouders vereert, hier kom je aan je trekken. Vandaag waren we in een Thaise tempel met een ruim 30 meter lang boeddhabeeld. 'De reus is zeker moe,' zei Menno.
Supermarkten hier zijn weer een ander verhaal. Je hebt de lokale variant en de westerse variant. Van die laatste worden we erg blij, want we kunnen hier voor het eerst sinds Australië kaas kopen, en camembert, en goed brood, en soms zelfs echte speculaasjes. Voor dingen als alcohol, spek, ham en varkensvlees moet je naar de niet-halal-afdeling. Dat is een apart, afgeschermd hoekje waar alleen Chinezen werken (moslims houden zich verre van eten dat niet halal is) die alles wat je wilt stevig in een plastic zak verpakken en afrekenen. Als je ermee door de winkel loopt, word je door de moslims aangekeken of je chemisch afval in je winkelwagentje vervoert.
Donderdag dus weer verder, naar Langkawi, een zeilersparadijs met helder water, zandstranden, tig eilandjes, en duty-free alcohol. We gaan weer samen met Hafskip, om de traditie goed te eindigen, want we hebben de hele Straat Malakka samen gevaren. Hafskip gaat in januari door naar Nederland, maar wij blijven een jaar in dit gebied want het leven hier bevalt erg goed.
|
|
Port Dickson is niet veel soeps. Een paar straten met winkels en restaurantjes waar je het liefst met een knijper op je neus doorheen loopt omdat de open riolen gigantisch stinken. Maar ten zuiden van het stadje ligt een langgerekt strand, met tientallen hotels en resorts, en daardoor is Port Dickson toch erg populair. We parkeren de boot een week in de Admiral Marina and Leisure Club en doen niks bijzonders. Menno heeft het erg naar z'n zin omdat er vijf andere boten met kinderen zijn. Ze spelen in het zwembad of staan te vissen op de steiger. Met groot succes, want ze trekken de ene na de andere vis uit het water. Als de haak te vast zit, wordt een van de vaders erbij geroepen.
Woensdagochtend gooien we de lijnen los en beginnen we aan de 215 mijl naar Georgetown op het eiland Penang, in het noorden van de straat Malakka. We zijn twee dagen en nachten onderweg en zien veel tropische stortbuien en bliksemflitsen om ons heen, maar dankzij een grote dosis geluk én de radar, waarop de buien goed te zien zijn, weten we het op een paar uur na droog te houden.
Vrjdagochtend vroeg naderen we Penang en heeft de mobiele telefoon weer bereik. We lezen een sms van Murungaru, de boot met Menno's vriendjes Anne en Rea die hij al heel lang niet gezien heeft. Ze liggen ten zuiden van de stad voor anker en we gaan een paar uur naast ze liggen zodat de kinderen kunnen spelen en de ouders kunnen bijpraten. Later varen we onder de brug door die Penang met het vasteland verbindt en meren we af in de marina in de stad. We blijven hier een weekje om rond te kijken en een visum voor Thailand te regelen. Menno vindt het wel prima hier, want Joost, Ilse en Siebe van Hafskip zijn hier ook en Murungaru komt vanmiddag deze kant op.
Later meer over het warme (32 graden) en vochtige (98%) Penang.
(De coördinaten van Google Earth (via Current Position) kloppen niet helemaal. We liggen een paar honderd meter naar het noorden in de marina, maar die moest nog gebouwd worden toen de satellietfoto werd genomen).
|
|
Malakka is een stad waar je blij van wordt. Het is er gezellig, we lopen er niet als enige toeristen rond en zijn dus zelf niet zo'n bezienswaardigheid, en er is van alles te bekijken. Met dank aan de Portugezen, Nederlanders en Britten die hier lang geleden de baas waren, en de Chinezen, Indiërs en Maleisiërs die hun eigen stempel op de stad drukken. We bezoeken het Stadthuys, in 1650 gebouwd voor de Nederlandse gouverneurs van Malakka. De inmiddels dakloze kerk op de heuvel in het centrum, in 1521 door de Portugezen gebouwd maar overgenomen door de Nederlanders, waar tal van prachtige grafstenen te vinden zijn. Het (weliswaar nagebouwde) houten paleis van de sultan, onderkomen van een leuk museum. En de Chinese wijk, met antiekwinkeltjes en blikslagers en oude tempels en restaurants die de lokale specialiteit op het menu hebben staan: kiprijstballetjes (die overigens nergens naar smaken).
Luie toeristen kunnen zich laten vervoeren in een beca, een mooi versierde driewielfietstaxi inclusief geluidsinstallatie. Wij slenteren zelf door de straten terwijl Menno op zijn step voor ons uit sjeest. Na een paar dagen stad zeilen we weer verder, naar Port Dickson. Of eigenlijk, de marina iets ten zuiden ervan. Een luxe-oord met zwembad, jaja!
(stadsfoto's zijn te vinden in de Photo Gallery)
|
|
In Indonesië stonden we al amper in de kombuis, en hier in Maleisië maken we er helemaal een potje van. Het is te warm (goed excuus) om te koken, en dus zoeken we minstens één keer per dag een tentje op waar we wat kunnen eten. Dat is absoluut niet moeilijk (tweede goede excuus), en ook absoluut niet duur (derde goede excuus). We moeten met z'n drietjes heel erg ons best doen om meer dan 6 euro uit te geven.
De laatste week zitten we regelmatig met Joost en Ilse en baby Siebe van de boot Hafskip aan tafel. Vanavond moest en zou er een toetje worden besteld: de ABC Supreme, extreem populair in dit land. Iets met schaafijs, siroop, boontjes, fruit en andere ondefinieerbare ingrediënten. Links op de foto ABC Supreme vóór, rechts op de foto ABC Supreme na. Joost was de held van de avond want hij heeft z'n schaaltje bijna leeg gegeten. Ilse eindigde als tweede, Frank als derde (gaf de strijd op na twee happen) en Mir kreeg de poedelprijs want ze was zo wijs om niks te bestellen. Misschien was Menno nog het beste af, want hij had een gewoon vanille-ijsje met gekleurde hageltjes.
|
|
De eigenaar van de haven van Danga Bay, vlak bij Johor Bahru in het uiterste zuiden van het Maleisische schiereiland, maakt zich erg geliefd door alleen de verbruikte elektriciteit in rekening te brengen. Niemand hoeft liggeld te betalen omdat de haven nog niet helemaal af is. Toen hij de zeilers ook nog uitnodigde mee te gaan naar 'open huizen', was hij helemaal populair. Die open huizen worden door politici en welgestelde moslimfamilies georganiseerd om het einde van de ramadan te vieren. Iedereen, zowel vrienden als vreemden, mag aanschuiven. Wij kwamen terecht in het huis van een man die in goeden doen is geraakt met de import van boeken. Toen we de oprit van de familie opliepen werden we met open armen verwelkomd. De hele voortuin stond vol met tafels en er was een groot lunchbuffet met onder andere rijst, mie, soep, rendang, roedjak en allerlei zoete nagerechten zoals spekkoek. Menno legde het ene na het andere plakje op zijn schoteltje en tolereerde het zowaar dat hij regelmatig over z'n wang geaaid werd. En daar zaten we dan, tussen alleen maar hoofddoekjes en dophoedjes. Onze gastheren maakten een praatje met ons voor zover hun Engels dat toeliet, en bleven aandringen dat we onze borden volschepten. Een mooi begin van ons verblijf in Maleisië.
|
|
Singapore staat op z'n kop, want het Formule 1-circus is begonnen. Coureurs die hun gezicht laten zien in winkelcentra worden belaagd door duizenden fans, tickets worden voor torenhoge prijzen verkocht en ondernemers klagen dat de halve stad is afgezet waardoor hun winkel of restaurant niet te bereiken is. Wij kunnen in elk geval zeggen dat we midden op het circuit hebben gestaan (hierboven het bewijs), dat deze dagen in de stad wordt opgebouwd. Verder zullen we weinig van de race op zondagavond mee krijgen, want zondagochtend klaren we uit en gaan we tien hele mijlen ver varen naar Johor Bahru in Maleisië.
Singapore is een keurig nette stad, een goed geoliede machine. Bussen en treinen rijden frequent en stipt. Als je oud, zwanger, gehandicapt of een kind bent, wordt er onmiddellijk een zitplaats voor je vrijgemaakt. Niemand dringt voor bij het in- en uitstappen. Niemand eet of drinkt in bus of trein, want daar staat een hoge geldstraf op. In de stad loopt niemand door het rood, niemand steekt schuin over, niemand gooit een snoeppapiertje op straat, niemand rookt, niemand spuit graffiti op muren of deuren. Zelfs kauwgom kauwen mag niet. Het zijn allemaal overtredingen waar zware straffen op staan. Stokslagen worden hier heel normaal gevonden. Drugssmokkelaars krijgen haast vanzelfsprekend de doodstraf. Het is ons allemaal iets te netjes, iets te steriel, iets te geregeld.
Singapore is een mekka voor shopaholics. Er zijn ontelbaar veel winkelcentra, die minimaal vijf verdiepingen hebben en zo groot zijn dat we er verdwalen. Elk winkelcentrum heeft minstens één food court (vreethoek), waar je Chinees, Indisch, Thais, Vietnamees, Indonesisch of Japans eten kunt krijgen, of hamburgers, of pizza, of pasta, of... Als je het hele jaar door drie keer per dag in een ander tentje wilt eten, lukt dat makkelijk. En als je de taal niet spreekt of leest, zoals wij toen we in Chinatown een restaurantje in doken dat alleen Chinese menukaarten had, krijg je gewoon een album voor je neus met foto's van alle gerechten. Chinatown is trouwens een leuke buurt, met oude huizen en winkeltjes die niet alleen snuisterijen verkopen, maar ook gemalen neushoornhoorn en allerlei kruiden en smeerseltjes.
Wat statistieken: Singapore telt 707 vierkante kilometer, en is net iets kleiner dan New York City (786 vierkante kilometer). Er wonen bijna vijf miljoen mensen, waarvan 75 procent Chinezen, 14 procent Maleisiërs en 8 procent Indiërs. En die verschillende mensen geven de stad charme, vinden wij. Het is erg leuk om tussen al die culturen te vertoeven. Er zijn kerken, boeddhistische tempels, hindoetempels en moskeeën, vrouwen met hoofddoeken, vrouwen met rode stippen op hun voorhoofd, vrouwen met kleurige sarongs, vrouwen in superstrakke minirokjes, mannen in maatpak en mannen in salwar kameez.
De meeste mensen spreken naast hun moedertaal (Chinees, Maleis of Hindi) ook Engels, of eigenlijk Singlish (Singapore English). Erg lastig te verstaan. Het klinkt een beetje alsof er een machinegeweer wordt afgeschoten, maar dat komt omdat de mensen hier alle Engelse woorden aan elkaar plakken en overal ook nog eens 'la' aan toevoegen. (Can do la = yes).
Maar goed, zondagochtend gaan we dus naar Maleisië. Daar hebben we nu al uitzicht op, en ons nieuwe stekkie daar is een haven vlak bij de stad Johor Bahru. De haven en het leven zijn er een stuk goedkoper. En voor Menno is er ook vast een zwembad. We zullen wel de krant missen, die nu trouw elke ochtend, keurig in plastic verpakt als het regent, in de kuip gegooid wordt. Straks moeten we die zelf weer gaan halen.
|
|
Regen, regen, regen, en onweer. Gelukkig allemaal vandaag, terwijl we in Raffles Marina in Singapore liggen, waar het leven goed is (daarover zo meteen meer). Gisteren zijn we door een van de drukste scheepvaargebieden ter wereld gevaren. De weersvoorspelling was pet: 80 procent kans op regen en zware onweersbuien. Maar we moeten weg, want we zijn al uitgeklaard uit Indonesië. 's Ochtends vroeg, als we onze lijnen losmaken en wegvaren uit Nongsa Point, krijgen we de eerste bui over ons heen. We lopen dus heel charmant in onderbroek en regenjas (Mir) en zwembroek en regenjas (Frank) over het dek, terwijl Menno binnen zit en naar een van zijn nieuwe illegaal gekopieerde dvd-tjes kijkt. Die zijn gewoon in de winkel te koop, met hoesje en al, en dan krijg je een bonnetje voor 10.000 roepia (70 eurocent) per dvd, en als klap op de vuurpijl staan er dan ook nog eens zeven of tien filmpjes op één schijfje. Menno kan z'n lol dus niet op, en wij ook niet als het eenmaal droog is. En droog blijft, de hele dag. Er is alleen geen wind, dus met dank aan onze ouwe trouwe Mercedes tuffen we parallel langs het verkeersscheidingsstelsel. Voor leken: dat is een soort snelweg voor de grote bakbeesten die heel keurig met zo'n 10 tot 20 knopen snelheid op de ene helft naar het oosten varen, en op de andere helft naar het westen. Buiten die snelweg gaan de schepen trouwens alle kanten op, dus het is goed oppassen geblazen. Even naar binnen om koffie te zetten is er haast niet bij. Op een gegeven moment zien we een mooie, grote leegte ontstaan achter een enorm containerschip, en steken we de snelweg dwars over. Zonder enig probleem zijn we twintig minuten later aan de overkant, en zitten we aan de Singapore-kant. Daar wordt het eigenlijk pas echt spannend, want we komen langs een paar havens (eentje heeft de internationale naam Van Ommeren) en daar varen we tussen tientallen schepen die ofwel voor anker liggen, ofwel anker opgaan, ofwel gaan ankeren, ofwel naar binnen varen, ofwel naar buiten. We wijken één keer uit als een schip ons dreigt te rammen, en varen langs twee boorplatforms en tig schepen de Johor Strait op naar Raffles Marina. Net als in Nongsa Point worden we met veel ceremonieel ontvangen. Als onze paspoorten en scheepspapieren in beslag zijn genomen voor douane, immigratie en quarantaine, trekken we een ijskoud blikje Bintang open om te vieren dat we heelhuids in Singapore aangekomen zijn. Raffles is weer lekker luxe (dat mag ook wel voor 40 Singapore dollar per nacht, 20 euro) met een zwembad, restaurants, bowlingbaan, fitnessruimte, wasmachines, WiFi én luxe douches inclusief grote, zachte handdoek. 's Ochtends komt een jongen van de marina de krant thuis bezorgen, de Straits Times. Alles bij de prijs inbegrepen, behalve de restaurants, helaas. De stad ligt op een half uurtje afstand. Hier vermaken we ons wel een tijdje.
|
|
En een kwartier later ziet het er hier zo uit!
|
|
En wij maar denken dat we geen wind zouden hebben op weg naar Batam, onze laatste Indonesische stop 20 mijl ten zuiden van Singapore. We hadden juist prima wind, soms zelfs een beetje veel waardoor de golven zich flink opbouwden en van die grote rollers werden, met brekende kammen. Al met al gingen we wel lekker snel en waren we ruim zes dagen na vertrek (885 mijl) al in Batam. Batam ligt op het noordelijk halfrond; we zijn dus de evenaar weer overgestoken. Neptunus is niet op bezoek gekomen, hij had het waarschijnlijk te druk want er was enorm veel scheepvaart op het hele traject. Vrachtschepen, tankers, vissersbootjes, sleepboten met schuiten erachter die zo hoog met zand beladen waren dat het net kleine eilanden leken, noem maar op. De Javazee is op veel plekken maar een meter of dertig diep en daar lagen veel vissersboten voor anker, in de hoge golven. Minder leuk was dat sommige boten zo nieuwsgierig naar ons waren dat ze recht op ons af voeren en zo dichtbij kwamen dat we de bemanning zowat de hand konden reiken. Het eerste schip dat op ons af kwam was een 50 meter lange driemaster, daarna een paar vissers, en als toppunt een grote vissersboot die midden in de nacht doelbewust op ons af voer, tot we de schijnwerper op 'm richtten en hij achterlangs ervandoor ging.
Rond de evenaar zeilen betekent meestal dat je 's nachts de ene na de andere tropische bui over je heen krijgt. We hadden geluk, want pas toen we net tien minuten in de haven van Nongsa Point op Batam lagen, werden we voor het eerst in heel lange tijd getrakteerd op onweer en keiharde regen. Nongsa Point ligt midden in een industriezone en zou een korte stop geweest zijn voor ons, ware het niet dat het resort waar de marina bij hoort behoorlijk luxe is, en internet heeft, een zwembad, wasmachines, een strandje én warme douches.
We zijn behoorlijk vroeg in het zeilseizoen al op het noordelijk halfrond. De zuidwestmoesson, die veel regen en onweer brengt, maakt pas in oktober langzaam plaats voor de droge noordoostmoesson. We moeten volgende week Indonesië uit omdat ons visum verloopt, en gaan het de komende vier, vijf weken rustig aan doen in Singapore en het zuiden van Maleisië. Half oktober zeilen we omhoog via de westkust van Maleisië om begin december in Thailand aan te komen. Later weer meer, groeten van Mirjam, Frank en supermatroos Menno
|
|


